Eindelijk meer zicht op sociaaleconomische waarde sport en bewegen

Als een ‘gemiddelde’ Nederlander duurzaam gaat sporten en bewegen, kan dat 25.000 tot 100.000 euro opleveren aan maatschappelijke winst. Vooral de toename van arbeidsproductiviteit, de afname van ziekteverzuim en de verbetering van de gezondheid dragen bij aan dat positieve resultaat. Blessures en extra zorgkosten bij een langere levensverwachting leveren kosten op, maar deze lasten vallen weg tegen de baten. Dat heeft Kenniscentrum Sport bekend gemaakt op basis van een nieuw rapport.

Bewegen, dat is toch goed voor je? En dus moet het automatisch maatschappelijk effect en economische waarde hebben. Maar is dat wel zo vanzelfsprekend? Kenniscentrum Sport heeft de handschoen opgepakt, omdat veel gemeenten willen weten of de inzet van publieke middelen voor sport zich ook terugbetaalt. Research-bureau Ecorys* heeft op verzoek van het landelijke kenniscentrum het rapport ‘De sociaaleconomische waarde van sport en bewegen’ opgesteld met expertise van onder andere Kenniscentrum Sport, de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en Mulier Instituut. Kenniscentrum Sport heeft nu een samenvattende publicatie gemaakt.

Sport en bewegen levert geld op

De effecten van sport en bewegen zijn in drie hoofdgroepen verdeeld: gezondheid, sociaal en arbeid. Per hoofdgroep is nagegaan voor welke effecten voldoende bewijslast is, of dit ook onderbouwd in cijfers kan worden vertaald en of dit ook in geld kan worden uitgedrukt. Twee leeftijdsgroepen zijn gehanteerd: de jongere (5-24 jaar) en de volwassene (25-54 jaar). Het resultaat van de research is geen wetenschappelijke studie, maar juist een vertaling van beschikbare wetenschappelijke toepassing voor de praktijk. 

Neem het voorbeeld van een gemeente die meer volwassenen aan het bewegen wil krijgen. Via een programma – bijvoorbeeld een leefstijlaanpak – gaan van de 5.000 inwoners er 100 sporten en bewegen en zij blijven dat ook langere tijd doen. Kenniscentrum Sport heeft aan de hand van zo’n voorbeeld uitgesplitst wat resultaten over de gehele resterende levensduur kunnen zijn. Op het gebied van zorgkosten (150.000 tot 600.000 euro minder), méér blessures (50.000 tot 80.000 euro meer) maar ook bijvoorbeeld het positieve effect op de levensverwachting van deze 100 mensen. Daarvoor calculeren de onderzoekers 100.000 tot 300.000 euro positief: het positieve effect op de mensen (kwaliteit van leven) weegt zwaarder dan de negatieve effecten van hogere zorgkosten en hogere AOW- en pensioenuitkeringen.

Figuur 1 Sociaaleconomische waarde van sporten en bewegen (contante waarde, 5-24 jarige). Bron: Kenniscentrum Sport/Ecorys.

Figuur 2 Sociaaleconomische waarde van sporten en bewegen (contante waarde, 25-54 jarige). Bron: Kenniscentrum Sport/Ecorys.

Individu profiteert het meest van sport en bewegen

Sport en bewegen levert dus op, maar wie profiteert? Volgens Kenniscentrum Sport wordt duidelijk dat de individuele Nederlander van veel van de effecten profiteert, variërend van plezier, minder ziek zijn, beter het werk aan kunnen, een langer leven in goede gezondheid en een ervaren betere kwaliteit van leven. Voor gemeenten ligt het profijt iets minder voor de hand: denk daarbij aan afgenomen zorgkosten via de WMO, maar vooral aan sociale effecten als minder criminaliteit en meer ‘sociaal kapitaal’ als participatie. Werkgevers hebben baat bij minder ziekteverzuim en een hogere arbeidsproductiviteit (5.000 tot 25.000 /30.000 euro meer) en afname ziekteverzuim (15.000-30.000 winst voor 5-24 jarige; 10.000-25.000 winst voor 25-54 jarige). 

Hogere kosten zijn er ook

De rijksoverheid profiteert van die hogere arbeidsproductiviteit via de inkomstenbelastingen, maar kan anderzijds wel langer AOW moeten betalen voor die Nederlanders die langer leven. En ook een pensioenverzekeraar kan voor hogere kosten komen te staan om die reden. 
Zorgverzekeraars hebben baat bij de afgenomen zorgkosten, maar kunnen door de langere levensverwachting ook extra zorgkosten verwachten. De maatschappij als geheel profiteert van bijvoorbeeld minder criminaliteit, meer sociaal kapitaal en toegenomen leerprestaties. Hierover is echter nog te weinig kennis om er geldbedragen aan te verbinden. 

In de berekeningen van Ecorys en de publicatie van Kenniscentrum Sport is geen rekening gehouden met de kosten van het sporten en bewegen zelf, omdat daar onvoldoende bruikbare kennis over beschikbaar is en de individuele verschillen groot zijn. Desondanks slaat dit rapport voor met name gemeenten een belangrijke brug tussen wetenschap en de praktijk. Beleidsmedewerkers van gemeenten roemen in de publicatie de bruikbaarheid: het helpt in het onderbouwen van gezondheids- en sportbeleid en de verantwoording waarom je als gemeente daarin investeert.

De publicatie is online te vinden via Allesoversport. Op het Nationaal Sport Forum op 1 en 2 november in Noordwijk zullen adviseurs van Kenniscentrum Sport een masterclass verzorgen over dit onderwerp.

*Ecorys is ontstaan uit een aantal samenwerkende Europese research- en adviesbureaus, waaronder het Nederlands Economisch Instituut (NEI). Ecorys heeft in opdracht van Kenniscentrum Sport de rapportage opgeleverd.