Terug naar overzicht

JUMP-in

Doel JUMPin: Stimuleren van lichamelijke activiteit van basisschoolkinderen
Doelgroep: Basisschoolkinderen (4-12 jaar oud) in achterstandswijken

Aanpak
De complexiteit van beweeggedrag vraagt een meer-sporen aanpak met componenten op het terrein van onderwijs, sport, zorg en beleid. JUMP-in bestaat uit zes programmaonderdelen:

  1. Leerlingvolgsysteem
  2. Schoolsportclubs
  3. In de klas oefeningen met “De klas beweegt!”
  4. Werkboekjes “Bewegen doe je ZO”
  5. Voorlichting aan ouders
  6. Club extra / Motorische Remedial Teaching

Hoewel het complete JUMP-in programma wordt geïmplementeerd voor alle kinderen, is er binnen bepaalde programmaonderdelen specifieke aandacht voor inactieve kinderen, kinderen met overgewicht, kinderen met een achterstand in hun motorische ontwikkeling of andere beperkingen in de beweegcontext.

Het programma wordt uitgevoerd op school en is ontworpen voor permanent gebruik. Om JUMP-in op te nemen in de dagelijkse praktijk wordt een structurele samenwerking gecreëerd tussen stadsdelen, basisscholen, jeugdgezondheidszorg, welzijnsorganisaties, onderwijsbegeleidingsdiensten en lokale sportverenigingen. 

Materiaal

Er is een stroomdiagram voor de invoering van het complete programma. Voor elk programmaonderdeel zijn specifieke materialen en protocollen ontworpen.

Onderzoek effectiviteit JUMP-in
De effecten van de JUMP-in pilot zijn geëvalueerd met een quasi-experimenteel pretest/posttest onderzoek. Het resultaat laat zien dat de pilot effectief was in het beïnvloeden van lichamelijke activiteit. Kinderen in de controlegroep verminderden hun lichamelijke activiteit, terwijl de beweging van de kinderen in de interventiegroep gelijk bleef. In de periode 2006-2008 wordt een uitgebreide evaluatie van een verbeterd JUMP-in programma uitgevoerd, met een quasi-experimenteel pretest/posttest onderzoek. Dit huidige onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met het VUmc EMGO instituut.

Probleembeschrijving

Onderzoek wijst erop dat lichamelijk actieve kinderen minder vatbaar zijn om cardiovasculaire risicofactoren te ontwikkelen (Kavey et al., 2003), betere cardiovasculaire (Rowlands et al., 1999) en aerobische (Dencker et al., 2005) conditie hebben en betere psychologische profielen hebben (meer zelfverzekerdheid en minder angst en stress) dan kinderen die lichamelijk inactief zijn (Parfitt en Eston, 2005).

Hoewel algemeen wordt aanbevolen dat kinderen lichamelijk actief houden moeten zijn met een gemiddelde intensiviteit voor tenminste 60 minuten per dag, twee keer per week gericht op het ontwikkelen of onderhouden van fysieke conditie (Kemper et al., 2000), halen de meeste kinderen deze Nederlandse Norm Gezond Bewegen niet (Zeijl, 2005, de Vries et al., 2005). De Vries en collega’s (2005) lieten zien dat in Nederlandse achterstandswijken slechts 3% van de kinderen deze aanbeveling haalt. Onderzoek dat bij JUMP-in werd uitgevoerd laat zien dat niet meer dan ongeveer 30% van de kinderen meedoet aan georganiseerde sportactiviteiten (Jurg 2005).

Bovenop het directe effect van lichamelijke activiteit van kinderen op de fysieke en mentale gezondheid, is lichamelijke activiteit ook geassocieerd met de preventie van overgewicht.

Lichamelijke activiteit van kinderen (gemeten met accelerometers), is negatief gecorreleerd met gewichtstoename (Metallinos-Katsaras et al., 2007), terwijl lichamelijke inactiviteit positief is geassocieerd met het ontwikkelen van obesitas bij kinderen (Biddle et al., 2004).

De prevalentie van overgewicht en obesitas onder kinderen is in de afgelopen jaren sterk gestegen. In 1980 had ongeveer 4% van de jongens en 7% van de meisjes overgewicht, terwijl dit respectievelijk 10% en 13% was in 1997. In 2003 had 14,5% van de jongens en 17,5% van de meisjes overgewicht (van den Hurk et al., 2006). Bepaalde gebieden in Nederland tonen nog verontrustender cijfers; 28% van de jongens en 33% van de meisjes van 6-11 jaar oud had overgewicht in tien regio’s van de G30 (30 grootste gemeenten in Nederland; de Vries et al., 2005). Dit komt overeen met de prevalentie van overgewicht van 36% die is gevonden in achterstandswijken in Amsterdam (Jurg et al., 2006).

Doelgroepen

De primaire doelgroep van JUMP-in zijn basisschoolkinderen (4-12 jaar) in sociale en economische achterstandswijken in Amsterdam. Er is speciale aandacht voor verschillende subgroepen van kinderen met een verhoogd risico (zoals inactieve kinderen, kinderen met overgewicht en kinderen met een achterstand in hun motorische ontwikkeling).

Intermediaire doelgroep

volgt

Doel van het sport- en beweegaanbod

Hoofddoel

Een toename van de totale dagelijkse lichamelijke activiteit en sportdeelname van kinderen van de basisschool.

Subdoel

  • Positief effect op determinanten van lichamelijke activiteit onder kinderen (zoals attitude, gewoonte, intentie, planningsvaardigheden, ervaren sportcompetenties, barrières, steun van ouders etc.)
  • Preventie van overgewicht
  • Positief effect op de motorische ontwikkeling en fysieke conditie

Aanpak (opzet interventie, locatie en uitvoerders)

Opzet van de interventie

volgt nog

Locaties en Uitvoering

Alle programma-onderdelen van JUMP-in worden uitgevoerd in of vlakbij de school. Indien nodig worden risico kinderen doorverwezen (bijv. naar schoolgezondheidszorg, diëtist, pedagoog, fysiotherapeut etc.).

Ondersteuning

volgt nog

Materialen

Zie www.JUMP-in.nl; De meeste documenten, instrumenten and protocollen kunnen worden aangevraagd bij de JUMP-in helpdesk: jump-in@dmo.amsterdam.nl

Belangrijke documenten

Printen Uitgebreide beschrijving (pdf)