Terug naar overzicht

Sociaal Vitaal

Doelgroep Sociaal Vitaal
Sociaal Vitaal is een programma dat is bedoeld voor zelfstandig wonende ouderen met een laag opleiding- en/of inkomen, in de leeftijd van 60-85 jaar, die onvoldoende lichamelijk actief zijn, eenzaam zijn en weinig veerkracht hebben om te kunnen omgaan met veroudering.

Doel Sociaal Vitaal
Het doel van Sociaal Vitaal is het bevorderen van het ‘gezond ouder’ worden van de doelgroep. Om dit te realiseren ligt de nadruk op (1) het bevorderen van de fysieke conditie van ouderen, (2) op het ontwikkelen van veerkracht om de gevolgen van veroudering te kunnen opvangen en (3) op het kunnen beschikken van sociale vaardigheden om sociale contacten te kunnen leggen.

Aanpak
Het Sociaal Vitaal programma bestaat uit het werven van deelnemers, het screenen van de deelnemers op bewegingsarmoede , eenzaamheid en veerkracht alsmede het uitvoeren van het Sociaal Vitaal programma.
De ouderen worden door een groep getrainde vrijwilligers persoonlijk huis aan huis geworven. De ouderen die belangstelling hebben voor het programma worden gescreend door het afnemen van een fysieke fitheidstest in combinatie met een vragenlijst die eenzaamheid en veerkracht meet. Het Sociaal Vitaal programma bestaat uit (1) Een veelzijdig beweegprogramma waarbij deelnemers in hun eigen wijk of buurt worden ondersteund bij het realiseren van de Nederlandse Norm Gezond Bewegen; (2) Een weerbaarheidstraining waarin de nadruk ligt op het leren omgaan met angst, het krijgen van zelfvertrouwen, het leren aangeven van de eigen grenzen en het greep krijgen op emoties en het eigen gedrag; (3) Een sociale vaardigheidstraining waarin de nadruk ligt op het vergroten van het inzicht in sociale interacties en het verbeteren van sociale vaardigheden om sociale contacten te leggen en te onderhouden en (4) Voorlichting over verschillende gezondheids- en sociale thema’s waarvoor de deelnemers belangstelling hebben en waarvan zij de kennis kunnen inzetten bij het realiseren van een gezonder leefpatroon.

De verschillende programma onderdelen van Sociaal Vitaal zijn met elkaar geïntegreerd. De docenten die de beweeglessen en trainingen geven zijn speciaal voor dit programma opgeleid.

Om gedragsbehoud te bevorderen krijgen de deelnemers als groep een zelfmanagement training aangeboden, waarbij aandacht wordt besteed aan het in praktijk brengen van de getrainde vaardigheden. 

Voorafgaand aan de start van een lokaal Sociaal Vitaal project wordt een lokale projectgroep samengesteld die op grond van een buurtscan vaststelt in welke wijk of buurt Sociaal Vitaal wordt uitgevoerd, wie de doelgroep is waar het project zich op richt en welke organisaties bij de uitvoering van het project worden betrokken.

Probleembeschrijving

Ouderen met een lage sociaal economische status (laag inkomen en/of opleiding) hebben verhoudingsgewijs meer ongezonde leefstijlkenmerken, zoals bewegingsarmoede, ongezond eten, roken en overmatig alcoholgebruik, waardoor er tussen laag- en hoogopgeleiden grote verschillen in levensverwachting, verschillen in fysieke en psychosociale problemen én kwaliteit van leven zijn ontstaan (Dotinga & Picavet, 2006, Netuvelli et al., 2006; Adler et al.,2008; Mackenbach et al.,2008;Zaninotto et al., 2009;Bambra et al., 2009; Kunst & Droomers, 2009). Onder kwaliteit van leven verstaan we de mate waarin mensen ervaren greep te hebben op hun eigen leven én de ervaren tevredenheid met hun levensomstandigheden (Hyde et al., 2009).Het verschil in levensverwachting tussen hoger en lager opgeleiden is opgelopen tot 6 à 7 jaar en het verschil in het aantal jaren dat doorgebracht wordt in slechte gezondheid verschilt 16 tot 19 jaar (Mackenbach, 2009). Bovendien hebben ouderen met een lage sociaal economische status ruim twee keer zo veel fysieke en psychische problemen als ouderen met een hogere sociaal economische status (Adamson et al.,2006; Groffen et al.,2007), waardoor ze relatief sneller fysiek en mentaal kwetsbaar (frail)worden (Van Campen,2011; Webb et al.,2011). Met name aan kwetsbaarheid gerelateerde problemen zoals fysieke beperkingen als gevolg van de aantasting van spierkracht en loopsnelheid, toename van psychosociale problemen zoals eenzaamheid, depressie als gevolg van veranderingen in de eigen leefsituatie (het krijgen van ziekten en aandoeningen, het verlies van de partner en vrienden) leiden ertoe dat ouderen met een lage sociaal economische status hun zelfredzaamheid sneller verliezen (Gobbens et al., 2010; Marmot et al., 2012; Gooding et al., 2012).

Omdat de verschillen in gezondheid tussen ouderen met een lagere sociaal economische status en ouderen met een hogere sociaal economische status groot zijn, en dit als een systematisch en chronisch probleem werd beschouwd (Huisman et al. 2003) stelde het kabinet in 2008 het beleidsplan Sociaaleconomische Gezondheidsverschillen (SEGV) op. Uit onderzoek blijkt dat een aanzienlijk deel van het specifieke aanbod om SEGV verschillen te verkleinen niet op effectiviteit is onderzocht (Bruggink,2009; Busch & Schrijvers , 2010). Voor zover onderzoek naar effecten is uitgevoerd, wordt duidelijk dat zowel in Nederland als in Europa de verschillen in levensverwachting niet afgenomen zijn en ongezonde leefstijlkenmerken zoals roken, ongezond eten en bewegingsarmoede niet verminderd zijn (van der Lucht & Polder 2010; Marmot 2013).
Omdat mensen met een lage sociaal economische status moeilijk bereikt worden met algemene preventieprogramma’s, biedt de wijk waarin de ouderen wonen de meeste gunstige invalshoek om deze doelgroep te benaderen. De reden is dat achterstandswijken niet alleen vindplaatsen van de doelgroep zijn, maar dat deze wijken, door concentratie van ongunstige sociale en fysieke omgevingskenmerken, mede de oorzaak van gezondheids-problemen zijn (Van der Lucht & Polder, 2010). Door leefstijlinterventies meer toe te spitsen op de doelgroep ouderen met een lage sociaal economische status en meer nadruk te leggen op de eigen kracht van de doelgroep bij het aanleren van bij gezondheidsvaardig-heden wordt verondersteld dat de effectiviteit van het verkleinen van sociaal economische gezondheidsverschillen verbeterd zou kunnen worden (Verweij & van der Lucht, 2010).

Doelgroepen

De uiteindelijke doelgroep zijn zelfstandig wonende, kwetsbare ouderen die

  • niet voldoen aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen;
  • sociaal kwetsbaar zijn als gevolg van ervaren eenzaamheid; 
  • een gebrekkige zelfredzaamheid ervaren als gevolg van onvoldoende mentale weerbaarheid;
  • tot de leeftijdsgroep van 60-85 jaar behoren;
  • een laag inkomensniveau hebben;
  • zowel een autochtone als allochtone achtergrond kunnen hebben;
  • de Nederlandse taal beheersen.

Intermediaire doelgroep

  • consulenten bewegen voor ouderen bij Provinciale Sport Organisaties; – gemeente ambtenaren op afdelingen Sport-, Welzijn-, Gezondheid-, Ouderenbeleid;
  • vertegenwoordigers van instellingen in de ouderenzorg, maatschappelijke dienstverlening en welzijns- en geestelijke gezondheidszorg instellingen
  • lesgevers, werkzaam met ouderengroepen, met specifieke affiniteit en ervaring met kwetsbare ouderen
  • vrijwilligers die de benadering uitvoeren en fitheidstesten afnemen.

Doel van het sport- en beweegaanbod

Hoofddoel

Het doel van Sociaal Vitaal is de toename van kwaliteit van leven van ouderen met een lage sociaaleconomische status. De toename van kwaliteit van leven van ouderen met een lage sociaaleconomische status betekent dat ze zich vitaler gaan voelen, dat ze meer greep op hun leven hebben én dat ze meer tevreden zijn met hun eigen leven.

De invloed op Kwaliteit van leven wordt gemeten met de CASP-19 (Hyde et al., 2003).

Subdoel

De subdoelen waarmee de effecten op kwaliteit van leven wordt afgemeten zijn:

  • Het bevorderen van lichamelijke activiteit (subdoel 1.1) , het hebben van plezier in bewegen (subdoel 1.2) en een toename van fysieke fitheidseigenschappen (subdoel 1.4) die fysieke kwetsbaarheid, zoals beenkracht en het uithoudingsvermogen, beïnvloeden. De effecten worden gemeten met behulp van de sit -to-stand test (beenkracht) en de steptest (uithoudingsvermogen) , beide testen zijn onderdelen van de Senior fitness Test en zijn gevalideerd en genormeerd (Rikli & Jones, 2001). We verwachten een toename van de beenkracht en het uithoudingsvermogen met ongeveer 10%. Het effect voor gedragsbehoud wordt gemeten door de groepen 24 maanden na afloop van het programma te monitoren en te begeleiden (subdoel 1.3). Verwacht wordt dat 75% van de deelnemers lichamelijk actief blijft.
  • De toename van mentale veerkracht door te leren omgaan met fysieke, en cognitieve veroudering (subdoel 2.1). Het effect wordt gemeten met de Groningen Ageing Resilience Inventory (GARI) (Van Abbema et al., 2015). Deze schaal meet twee dimensies van veerkracht, namelijk “Adaptief vermogen” (interne bronnen), “de Verbondenheid” (externe bronnen). We verwachten een toename van veerkracht met ongeveer 7,5%.
  • De toename van sociale vaardigheden om sociale contacten te leggen, contacten te onderhouden en de kwaliteit van bestaande contacten te verbeteren (subdoel 3.1). Hiermee wordt eenzaamheid beïnvloed. Het effect wordt afgemeten aan verandering van het aantal sociale contacten met familieleden en met vrienden op basis van de Lubben Social Network Scale (Lubben, 1988). We verwachten een toename van het zelfvertrouwen om met anderen contacten te leggen met gemiddeld 10% en een toename van het aantal sociale contacten met ongeveer 7,5%.
  • Toename kennis over de volgende aspecten van gezond leven: bewegen, roken, alcoholgebruik, voeding en ontspanning (subdoel 4.1). Deze toename zal worden gemeten met een BRAVO vragenlijst, die is gericht op het meten van kennis over bewegen, roken, alcoholgebruik, voeding en ontspanning. We verwachten een toename in kennis over BRAVO onderwerpen met 15%.

Aanpak (opzet interventie, locatie en uitvoerders)

Opzet van de interventie

De totale duur van Sociaal Vitaal is 38 maanden en kan worden onderverdeeld in drie fasen, te weten de voorbereidingsfase van gemiddeld 5 maanden, de uitvoeringsfase van 9 maanden en een nazorgfase van 24 maanden. De opzet van de uitvoering van Sociaal Vitaal is weergegeven in schema 1.

 

Figuur 1 De opzet van de uitvoering Sociaal Vitaal (zie bijlage)

Locaties en Uitvoering

In principe kunnen Provinciale Sport Organisaties de lokale coördinatie van Sociaal Vitaal projecten voor hun rekening nemen en ervoor zorg dragen dat Sociaal Vitaal lokaal wordt uitgevoerd. Hiertoe zal met Sportkracht 12 leden een contract worden gesloten, waardoor ze over de benodigde informatie kunnen beschikken en begeleiding van de landelijke stichting GALM krijgen.

Er zijn Sociaal Vitaal projecten uitgevoerd in de Bilt, Baarn en Utrecht. Er is belangstelling bij Sportkracht 12 leden om Sociaal Vitaal projecten uit te voeren in Zeeland, Noord-Holland en Friesland.

We hebben voor SK12 een stappenplan gemaakt dat ze bij de uitvoering kunnen gebruiken en toepassen. Bovendien zorgt de Stichting GALM dat er trainingen voor sociale weerbaarheid en sociale vaardigheid worden georganiseerd. De stichting GALM zorgt voor het monitoren en evalueren van lokale Sociaal Vitaal projecten.

Ondersteuning

Ja, er is een werkmap waarin uitgebreid staat beschreven hoe het project lokaal moet worden uitgevoerd. Voor een aantal aspecten wordt ook gebruik gemaakt van het GALM handboek.

De beschrijving van de randvoorwaarden, deskundigheid, doelgroep en doelen, methodiek (benaderprotocol – fittestprotocol – beweeglessen – voorlichtingen – extra modules – extra trainingen in beweeg les – scholingen) is op grond van de pilotprojecten ontwikkeld en wordt op dit moment op basis van het eerste landelijke implementatieproject in Amersfoort definitief uitgewerkt. Op basis van inzichten in dit en volgende implementatieprojecten zal de methodiek verder worden verfijnd en waar nodig bijgesteld.

Landelijke implementatie: Met leden van Sportkracht 12 die belangstelling hebben om Sociaal Vitaal te gaan uitvoeren op korte termijn zullen afspraken worden gemaakt over de wijze waarop Provinciale Sport Organisaties Sociaal Vitaal als programma gaan uitvoeren. We gaan ervan uit dat alle leden van Sportkracht 12 in de komende jaren Sociaal Vitaal zullen gaan uitvoeren. Hiermee wordt een landelijke dekking mogelijk.

Materialen

Er is een wervingsprotocol beschikbaar voor de deelnemers. Er is een fitheidstest ontwikkeld, waarvoor een meetprotocol en materialen beschikbaar zijn. Alle onderdelen van het programma zijn uitgeschreven en er zijn trainingen voor de begeleiders van het programma ontwikkeld. Voor het beweegprogramma bestaat een GALM opleiding en er is een scholing voor de weerbaarheid- en sociale vaardigheidstraining ontwikkeld. Tevens zijn de lessen weerbaarheid en sociale vaardigheid beschreven in een uitgeteste module.

De landelijk stichting GALM ondersteunt lokale Sociaal Vitaal werkgroepen door het beschikbaar stellen van werkmappen (stappenplan, opzet lessen, fitheidsprotocol, opzet voorlichting) en beeldmateriaal, en het concreet adviseren en ondersteunen van de werkgroep bij het opzetten en uitvoeren van Sociaal Vitaal. De werkmappen worden op grond van de ervaringen in de pilot projecten ontwikkeld.

Voor vragen over de beschikbare materialen en het gebruik ervan kan contact worden opgenomen met de Stichting GALM (www.galm.nl)

Oordeel commissie

Sociaal Vitaal is een planmatig opgezette interventie die een belangrijke, moeilijk bereikbare doelgroep bedient. De jarenlange ervaring met GALM geeft vertrouwen. Het oordeel geldt voor de uitkomstmaten fysieke fitheid (beenkracht en uithoudingsvermogen) en ervaren eenzaamheid. Voor deze uitkomstmaten zijn in 3 resp. twee studies positieve, significante effecten gevonden, tot zelfs 5 jaar na start met de interventie. Voor de andere uitkomstmaten vond de commissie onvoldoende bewijs (te weinig studies en/of onvoldoende effect). Dit geldt voor kwaliteit van leven, lichamelijke activiteit, gedragsbehoud, mentale veerkracht en sociaal contact.

Uitvoerbaarheid

Door de GALM-ervaring zijn diverse materialen, netwerk etc. beschikbaar. Het kostenoverzicht is duidelijk als ook de taakafbakening tussen partijen, met kwaliteitsbewaking door Stichting GALM. 

De relatief hoge kosten zijn een aandachtspunt. Een kosten – baten analyse zal meer (onderbouwd) inzicht geven in de kosten in relatie tot de opbrengsten. 

Belangrijke documenten

Printen