Terug naar overzicht

Zorg voor Bewegen

Zorg voor Bewegen zijn beweeglessen, in de buitenlucht, in groepsverband die gegeven worden door een oefentherapeut Mensendieck/Cesar of fysiotherapeut. De sportlessen worden op verschillende niveaus gegeven aan mensen tussen de 18 en 85 jaar. De oefentherapeut of fysiotherapeut begeleidt de deelnemers in het (hard)lopen en in verschillende oefeningen die gericht zijn op spierversterking van het gehele lichaam, coördinatie en balans. Plezier in bewegen (krijgen) staat bij Zorg voor Bewegen centraal.

Probleembeschrijving

Het probleem is dat mensen in Nederland te weinig bewegen. Uit cijfers van het Centraal Bureau van de Statistieken blijkt dat 46% van de Nederlanders tussen de 12 en 80 jaar niet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB) (Centraal Bureau voor de Statistieken, 2016) voldoet. Het niet voldoen aan de NNGB is in Nederland jaarlijks verantwoordelijk voor ruim 8.000 sterfgevallen, ofwel circa zes procent van het totaal aantal doden in Nederland (Wendel-Vos, 2014). Te weinig lichamelijke activiteit leidt tot hart- en vaatziekten, osteoporose, overgewicht, hypertensie, beroerte, lage rugklachten en niet-insulineafhankelijke diabetes (Backx, Baarveld & Voorn, 2009).
Zorg voor Bewegen richt zich op mensen die onder behandeling zijn van een fysio- of oefentherapeut omdat zij bovengenoemde lichamelijke klachten hebben. Hieronder worden van lichamelijke klachten en ziekten die het meest voorkomen bij Zorg voor Bewegen de cijfers, oorzaken en gevolgen genoemd.

Rugklachten
In 2015 waren er bijna 2 miljoen mensen met nek- en rugklachten (bekend bij de huisarts). Dit waren 832.700 mannen en 1.149.600 vrouwen. Dit komt overeen met 99.2 per 1000 mannen en 134.5 per 1000 vrouwen. In de regio Groningen is het percentage mensen met een rug aandoening het laagst (6.1%). In Flevoland is de regio met het hoogste percentage (11.0%) gevolgd door Zuid-Limburg (10.9%). In 2015 had ruim 23% van de hele bevolking (van Nederland) ten minste één keer contact met de fysio- of oefentherapeut. Ongeveer 40% van deze mensen kwam vanwege nek- of rugklachten bij de fysio- of oefentherapeut. Dit betekent dat ongeveer 1,6 miljoen mensen met nek- of rugklachten bij de fysio- of oefentherapeut terecht komen (Volksgezondheidenzorg info, 2017). Cliënten met surmenage en degeneratieve aandoeningen aan de cervicale-, cervico-thoracale en lumbale wervelkolom zijn de meest voorkomende klachten binnen de oefentherapie (NIVEL, 2015). Specifieke oorzaken voor rugklachten worden bijna nooit gevonden (Henschke et al., 2009). Bij 92% van de gevallen kan geen oorzaak worden gevonden en spelen vaak de fysieke belasting, lichamelijke fitheid, te slappe rug- en buikspieren en leeftijd een rol in het ontstaan van rugklachten. Belangrijke symptomen van aspecifieke rugklachten zijn pijn en verminderd lichamelijk functioneren bij het uitvoeren van dagelijkse activiteiten en werk (Volksgezondheidenzorg info, 2017).

Diabetes mellitus type 2
In 2015 waren er naar schatting 1.111.000 mensen met diabetes bekend bij de huisarts. Dat waren 572.000 mannen en 539.000 vrouwen. Diabetes mellitus kent vele oorzaken zoals stoornissen in de afscheiding van insuline en/of het niet optimaal benutten van de aanwezige insuline door weefsels. Risicofactoren zijn: lichamelijke inactiviteit, overgewicht en ongezonde voeding (Hu et al., 2001) (Hu et al., 2001) (Hu et al., 2001). De gevolgen van diabetes mellitus zijn schade aan bloedvaten en zenuwweefsel. Op den duur vaak hart- en vaatziekten, diabetische retinopathie, blindheid en nierziekten (Volksgezondheidenzorg info, 2017).

Hart- en vaatziekten
In 2011 zijn er naar schatting ruim 969.000 personen met coronaire hartziekten (604.500), beroerte (174.000) of hartfalen (142.000). Het risico op hart- en vaatziekten wordt door meerdere factoren bepaald die onderling met elkaar samenhangen. Leefstijlfactoren, zoals voeding, roken en bewegen, beïnvloeden het ontstaan van hart- en vaatzieken soms rechtstreeks, maar vaak via persoonsgebonden risicofactoren zoals een te hoog cholesterolgehalte in het bloed, een hoge bloeddruk of diabetes mellitus (Volksgezondheidenzorg info, 2017).

Osteoporose
In 2015 hadden naar schatting 431.400 personen osteoporose: 62.900 mannen en 368.500 vrouwen. Dit zijn schattingen op basis van huisartsenregistraties. Vaak weten mensen niet dat zij osteoporose hebben, omdat zij geen klachten ervaren, en daarom niet naar de huisarts gaan. Daarnaast worden veel patiënten gediagnosticeerd met osteoporose door de fractuurkliniek nadat zij een fractuur hebben doorgemaakt.
De oorzaken van osteoporose kunnen zijn: het vrouwelijk geslacht, hogere leeftijd, laag lichaamsgewicht en gebrek aan lichaamsbeweging. Het gevolg zijn fracturen als gevolg van een verslechterde botkwaliteit. Deze fracturen hebben diverse gevolgen voor de kwaliteit van leven. Patiënten kunnen beperkt worden in hun dagelijks functioneren bijvoorbeeld tijdens het lopen, buigen, opstaan en het dragen of tillen van dingen (Volksgezondheidenzorg info, 2017).

Uit de bovenstaande gegevens blijkt dus, dat lichamelijke inactiviteit zowel directe als indirecte gevolgen heeft op de gezondheid van de mens. Maar te weinig lichaamsbeweging heeft niet alleen in- en directe gevolgen voor de cliënt, maar heeft ook gevolgen voor de zorgkosten in Nederland. Hierdoor is het probleem ‘te weinig bewegen’ en ‘niet voldoen aan de NNGB’ een probleem dat te splitsen is in ‘het probleem van de cliënt’ en ‘het landelijk probleem’.

Het landelijk probleem
De bovenstaande klachten en chronische ziektes zorgen voor hoge zorgkosten in Nederland. De kosten van de zorg voor nek- en rugklachten bedroegen 1.3 miljard euro in 2011. Dit komt overeen met 25% van de totale zorgkosten die gemaakt werden voor ziekten van het bewegingsstelsel en bindweefsel en 1.5% van de totale kosten van de gezondheidszorg in Nederland. De kosten van diabeteszorg waren bijna 1.7 miljard euro, osteoporose 257.2 miljoen euro en voor hart- en vaatziekten bedroegen de totale kosten 8.3 miljard euro. In totaal nam diabetes 1.9% van de totale kosten van de gezondheidszorg in Nederland in beslag, osteoporose 5% en hart- en vaatziekten 9.2% (RIVM Kosten van Ziekten database, 2013).

Doelgroepen

Zorg voor Bewegen is bedoeld voor mensen tussen de 18 en 85 jaar die onder behandeling zijn bij een fysiotherapeut of oefentherapeut Mensendieck/Cesar, of uit behandeld zijn bij een van deze paramedici. ZvB is ook bedoeld voor mensen die in beweging moeten blijven om hun lichamelijke klachten op een laag pitje te houden of de klachten onder controle te houden. Het gaat daarbij om lichamelijke klachten zoals rugklachten, CANS, artrose, diabetes type 2, (te) hoge bloeddruk, overgewicht, stress gerelateerde klachten die zich uiten als lichamelijke klachten, of een combinatie van deze klachten. Niet alleen mensen met klachten, maar ook mensen die klachten willen voorkomen (preventief) horen bij de doelgroep. De groep wordt gekenmerkt door mensen die zich niet in het plaatje van de sportschool kunnen vinden. Op de sportschool zou niet genoeg rekening met hen gehouden worden wat betreft persoonlijke of medische bijkomstigheden (Berger & van Ee, 2016). De deelnemers van ZvB hebben een variabele leeftijd tussen de 18 en 85 jaar. Dit is mede mogelijk doordat er verschillende groepen zijn waar de deelnemer in geplaats kan worden. De deelnemers van Zorg voor Bewegen worden opgedeeld in verschillende groepen. Deze verdeling is gebaseerd op niveau van lichamelijke fitheid van de deelnemers. De niveaus van de groepen worden aangeduid met sterren. De groep aangeduid met Ster 1 betreft de licht tot matige intensieve lessen. De groep met 2 sterren betreft de matig intensieve lessen en de groep aangeduid met 3 sterren betreft de matig tot zwaar intensieve lessen. Het niveau van de groepen is overigens verschillend, maar de wijze waarop de lessen worden gegeven heeft dezelfde formule. Het achterliggende idee is dat de lessen voor iedereen toegankelijk zijn. Alle deelnemers, jong of oud, fit of inactief moeten op eigen niveau kunnen meetrainen (Berger & van Ee, 2016).

Intermediaire doelgroep

Er is geen intermediaire doelgroep.

Doel van het sport- en beweegaanbod

Hoofddoel

Het actief beweeggedrag is gestimuleerd bij mensen met lichamelijke klachten tussen de 18 en 85 jaar, zodat de klachten verminderen, weggaan of op een laag pitje blijven. De doelgroep heeft na drie maanden zoveel plezier in bewegen gekregen, dat zij het actieve beweeggedrag blijven volhouden bij Zorg voor Bewegen en hun klachten onder controle kunnen houden in het dagelijks leven.

Subdoel

Actief beweeggedrag stimuleren

  • De doelgroep heeft kennis opgedaan over gezond beweeggedrag, door uit te leggen wat gezond beweeggedrag is en hoe de deelnemers dit kunnen bereiken.
  • De doelgroep heeft de positieve gevolgen van bewegen ervaren op de fysieke gezondheid.

Klacht vermindering, preventie van klachten

  • De doelgroep heeft inzicht gekregen in een gunstige houding ten opzichte van de klacht (of voorkoming van klachten).
  • De belasting-belastbaarheid van de doelgroep is verbeterd, doordat de conditie, spierkracht, mobiliteit, stabiliteit en balans is verbeterd.
  • De activiteiten in het algemeen dagelijks leven (ADL) kunnen gunstig worden uitgevoerd door de doelgroep, doordat er tijdens de lessen ADL gericht geoefend wordt. De doelgroep kan ook thuis de trainingsinzichten uitvoeren en verder inoefenen.
  • De lichamelijke klachten van de doelgroep zijn verminderd doordat er aan een betere houding wordt gewerkt met behulp van spierversterkende en mobiliserende oefeningen volgens de methode Mensendieck.

Actief beweeggedrag volhouden

  • De doelgroep kan de lessen van Zorg voor Bewegen volhouden doordat zij zich in de groep opgenomen voelen, zij worden gemist als zij er niet zijn en de therapeut is een stok achter de deur voor de doelgroep.
  • De doelgroep kan zijn (lichamelijke) grenzen aanvoelen en aangeven en dit toepassen in het ADL.
  • De doelgroep heeft zelfvertrouwen in zijn eigen kunnen, doordat er in de groep besproken wordt wat zij ervaren tijdens de lessen. Ook wisselen zij onderling hun successen uit over hun nieuwe beweeggedrag, dat ook buiten de lessen voortgezet wordt in het dagelijks leven. 

Opmerking
Het hoofddoel van Zorg voor Bewegen is een algemeen doel. Het hoofddoel kan per deelnemer specifieker gemaakt worden. Bijvoorbeeld als een deelnemer met rugklachten zich aanmeldt. Als deze deelnemer op de VAS een 7 geeft aan zijn pijnklachten, kan de VAS verwerkt worden in het hoofddoel van de deelnemer. Maar omdat Zorg voor Bewegen geschikt is voor diverse lichamelijke klachten en ook voor mensen is die juist lichamelijke klachten willen voorkomen, kan er geen specifiek meetinstrument gekoppeld worden aan het hoofddoel.

De subdoelen van Zorg voor Bewegen zijn gebaseerd op het gedragsveranderingsmodel van Balm (het oefentherapie model voor gedragsverandering) (Balm, 2002). Dit model bestaat uit zes stappen: openstaan, begrijpen, willen, kunnen, doen en volhouden. Binnen de oefentherapie wordt dit model vaak als leidraad gebruikt. Omdat Zorg voor Bewegen een oefentherapeutische groepsles is, zijn de doelen opgesteld aan de hand van het model van Balm, waardoor er in de doelen het inzichten krijgen, kunnen en volhouden terug komt. Het is binnen de oefentherapie vanzelfsprekend dat gedragscomponenten worden opgenomen in de doelen. Hierdoor zijn de doelen moeilijk objectief te meten, maar zij zijn wel subjectief te meten door middel van een vraaggesprek of een enquête.

Aanpak (opzet interventie, locatie en uitvoerders)

Opzet van de interventie

Het is de bedoeling dat de therapeut een groep of meerdere groepen gaat opzetten die blijft/blijven bestaan. De lessen van Zorg voor Bewegen stoppen pas als de lesgevende therapeut stopt. Zorg voor Bewegen zijn lessen die structureel gegeven blijven worden zodat de therapeut zijn of haar patiënten een (beweeg)stok achter de deur kan bieden. Dit sluit aan bij het hoofddoel van Zorg voor Bewegen: De deelnemers kunnen hun lichamelijke klachten onder controle houden doordat zij de lessen van Zorg voor Bewegen blijven volhouden. Om de lessen vol te kunnen houden, moeten er dus wel lessen aangeboden blijven worden.

De therapeut gaat eerst een groep opzetten. Als deze groep te groot wordt qua aantal deelnemers, het conditie verschil tussen de deelnemers te groot wordt of als de klachten van de deelnemers te divers worden, dan kan de therapeut ervoor kiezen om de groep te splitsen en de ‘ster varianten’ in te zetten zoals eerder beschreven in het werkblad.
De interventie wordt opgezet nadat de therapeut heeft meegelopen met de interventie houder (de meeloop dag, zie voor meer informatie het kopje ‘Voorwaarden’ in hoofdstuk 2 ‘uitvoering’).

Zorg voor Bewegen wordt opgezet aan de hand van acht methodische stappen die onderverdeeld zijn in drie fases.

Fase 1 Opstart fase
Duur: 1-6 weken
1. Opzetten van de organisatie
2. Werven van de deelnemers (promoten van de lessen)
3. Intake afnemen bij potentiële deelnemers
4. Verzorgen van materiaal voor de lessen

Fase 2 Kern fase
Duur: 1 week
5. Voorbereiden van de lessen
6. Starten met het geven van de lessen

Fase 3 Behoud fase
Duur: Minimaal 16 weken
7. Structureel de lessen blijven geven (minimaal 3 lessen per week)
8. Evalueren van de lessen

Na 16 weken wordt er geëvalueerd op de lessen door de therapeut en de deelnemers. De therapeut kan er dan voor kiezen om de lessen te blijven geven of te stoppen met het geven van de lessen. Als de therapeut stopt duurt het hele proces (fase 1, 2 en 3) ongeveer 23 weken. Als de therapeut doorgaat duurt het proces minimaal 23 weken en stopt wanneer de therapeut stopt met lesgeven.

Als de therapeut doorgaat, ziet de opzet van Zorg voor Bewegen er als volgt uit:
1. Werven van de deelnemers (blijven promoten van de lessen)
2. Intake afnemen bij potentiële deelnemers (afhankelijk van aantal nieuwe deelnemers)
3. Structureel de lessen blijven geven (wekelijks)
4. Nieuw materiaal aanschaffen (vervanging of nieuw materiaal dat nog niet gebruikt werd)
5. Evalueren van de lessen (2x per jaar)

Locaties en Uitvoering

Type organisatie
Elke (afgestudeerd) oefentherapeut Mensendieck/Cesar of fysiotherapeut kan Zorg voor Bewegen gaan geven, zowel zelfstandige therapeuten als in loondienst. Therapeuten die in loondienst werken zullen het opzetten van Zorg voor Bewegen moeten overleggen met hun werkgever.

Type locatie
Zorg voor Bewegen vindt altijd plaats in de buitenlucht. Met ‘buitenlucht’ wordt bedoeld een bos, park of duingebied met paden waar veilig op gelopen kan worden. Er moet de mogelijkheid zijn om ook in de regen te kunnen sporten, een erg modderig pad is dan onhandig, dus moet er met regen een alternatief (verhard) pad aanwezig zijn om op te kunnen lopen. Een locatie waar af en toe een open plek is, is handig om de warming-up te doen of oefeningen te geven in een kring, maar geen must. Er moet een plek zijn waar warming-up en rek- en strek oefeningen gegeven kunnen worden. Locaties met bruggen (waar veilig op geoefend kan worden) zijn goed, de brug kan juist gebruikt worden om oefeningen op te doen. Het is handig als de lesgevende therapeut de locatie kent en dus de weg weet. In het donker moet de locatie verlicht kunnen worden. Kies een locatie waar (dichtbij) te parkeren is en fietsen neergezet kunnen worden.

Ondersteuning

Opstartfase
Rol van de therapeut
Een actieve rol voor de therapeut. Er dienen PR activiteiten ondernomen te worden zoals het maken van een website, Social Media pagina aanmaken, folders maken en laten afdrukken, visitekaartjes maken en laten afdrukken en promoten van Zorg voor Bewegen bij paramedici, patiënten en huisartsen om deelnemers te werven. Bij de potentiële deelnemers wordt een anamnese afgenomen. Ook moet de therapeut informatie verschaffen per telefoon of e-mail aan geïnteresseerden.

Rol van de interventiehouder
De interventiehouder ondersteunt de therapeut door PR materiaal aan te leveren. Ook is de interventiehouder beschikbaar om vragen te stellen per telefoon of per e-mail over de opstartfase. Er wordt een actieve rol van de therapeut verwacht in de opstartfase, de interventiehouder heeft in deze fase een ondersteunende rol.

Rol van de deelnemer
De deelnemer neemt in deze fase contact op met de therapeut om een afspraak te maken voor de anamnese. De deelnemer mag natuurlijk ook contact opnemen met de therapeut voor meer informatie voordat hij of zij een afspraak maakt. De deelnemer moet voor ogen hebben wat hij of zij wil gaan bereiken met Zorg voor Bewegen en open staan voor de lessen.

Kernfase

Rol van de therapeut
De therapeut heeft een actieve rol. Er wordt een start gemaakt met het geven van de lessen van Zorg voor Bewegen. Eventueel moeten de lessen worden voorbereid. Afwisselende lessen worden gegeven door middel van materiaal gebruik. Behoud contact met de huidige deelnemers en potentiële deelnemers.

Rol van de interventiehouder
De interventiehouder heeft nog steeds een ondersteunende rol. De therapeut mag contact opnemen met de interventiehouder over de opzet van de lessen, het geven van de lessen, welk materiaal handig etc. Om de therapeut te ondersteunen in het voorbereiden van de lessen, is er een lesvoorbereidingsformulier te vinden in de handleiding. Ook deze mag naar de interventiehouder opgestuurd worden voor feedback als de therapeut dat prettig vind.

Rol van de deelnemer
De deelnemer heeft een actieve rol in de kernfase. Tijdens deze fase doet de deelnemer mee aan de lessen van Zorg voor Bewegen.

Behoudsfase

Rol van de therapeut
In deze fase neemt de therapeut een (online) evaluatie af bij deelnemers en de lesgevende therapeuten (ook als hij of zij zelf de lesgevende therapeut is) en schrijft hierover een korte rapportage. De positieve- en verbeterpunten kunnen meegenomen worden in de lessen, om de lessen nog beter te maken en prettig te houden voor de deelnemers. De positieve vooruitgang melden bij relevante verwijzers van deelnemers (dit haalt de therapeut uit de evaluatie). Dit zorgt weer voor promotie van de lessen en nieuwe deelnemers. Eventueel kunnen er nieuwe lessen worden opgericht voor bepaalde doelgroepen (groep voor overgewicht, kankerpatiënten) of misschien kan het huidige aanbod wel worden uitgebreid.

Rol van de interventiehouder

Materialen

De materialen die beschikbaar zijn om Zorg voor Bewegen op te zetten zijn:

  • Een handleiding voor de zorg professional: Aan de hand van een onderzoek naar de factoren waarom Zorg voor Bewegen goed werkt voor mensen is een handleiding geschreven voor oefentherapeuten en fysiotherapeuten. In de handleiding staat achtergrond informatie, verschillende voorbeeld lessen met tips hoe de werkende factoren naar voren komen in de lessen en hoe de lessen opgezet kunnen worden. Deze handleiding krijgt de therapeut per e-mail tegen betaling.
  • Materiaal voor de werving van deelnemers: Flyers, voorbeeld visite kaartjes en een presentatie voor verwijzers zijn beschikbaar. De presentatie is onderdeel van de bovengenoemde handleiding. In de handleiding staan voorbeelden van de flyers en visite kaartjes. Visite kaartjes kunnen bij een bedrijf naar keuze verkregen worden.
  • Materiaal voor de evaluatie van Zorg voor Bewegen: Plan van aanpak voor een procesevaluatie en een voorbeeld vragenlijst. Dit is inbegrepen bij de handleiding.
  • Meeloop dag: De therapeut die de lessen wil gaan opzetten, zijn verplicht om minimaal 1 dag (indien de therapeut meer dagen wil mee kijken is dat mogelijk) mee te kijken bij de lessen van Zorg voor Bewegen in Kortenhoef. Aansluitend kunnen er vragen gesteld worden over de lessen, de handleiding en de opstart periode. Dit is nog geen erkende cursus.

Belangrijke documenten

Printen Uitgebreide beschrijving (pdf)